dinsdag 8 maart 2011

Sterke vrouwen


Claudett de Bruin – 8 maart 2010

Hij kondigt haar aan als een sterke vrouw. Zijn moeder was een sterke vrouw. Vader en moeder tegelijk. Drie baantjes had ze. Alle vijf waren ze iets geworden in de maatschappij.
‘Welke boodschap heeft u op deze speciale dag?’
‘Voor wie?’ vraagt ze. Haar ogen zoeken de camera.
‘Voor alle Surinaamse vrouwen,’ antwoordt hij en kijkt in de camera. Waarom is hij niet bij de radio gebleven?
Ze had niet naar hem gekeken toen ze de omroepcabine binnen kwam. Ze had een map op het bureau gelegd en toen de microfoon aan de kraag van haar bloes verschoven. Hij had haar uitdrukkelijk gevraagd er niet aan te komen.
Haar ogen hebben de camera gevonden en fixeert haar blik op het grote open oog. ‘Ik heb een boodschap voor de mannen.’
Met perfect gemanicuurde nagels roffelt ze op de tafel, de microfoon registreert elke tik. Als een oordeel. Hij voelt zweetdruppels langs zijn rug glijden, zijn hemd plakt.
‘Origineel,’ zegt hij, ‘zeer origineel.’
Ze blijft in de camera kijken en hij laat zijn blik over haar hand gaan. Franse manicure. Zijn ex-vrouw liet elke drie weken haar nagels doen. Het had hem een vermogen gekost. Haar een vermogen aan tijd. Hoe moet hij de nagels rijmen met deze drukbezette, zelfstandige vrouw?
‘Wat is uw boodschap, mevrouw, op deze dag van 8 maart?’ Hij wil zo graag de juiste toon aanslaan, dat ze het ontzag in zijn stem kan horen.
‘Don’t take your woman for granted.’
Hij besluit om zijn vragenlijst volgens plan af te werken. Vragen die je aan flinke vrouwen stelt, hoe ze als werkende vrouw en moeder hun onderneming tot bloei brengen. Vragen die in zijn keel blijven steken wanneer hij de warme aanraking van haar hand op de zijne voelt.
‘A man needs a woman.’
James Carr, hij weet het nog uit zijn radiotijd. Op één tegel dansen terwijl het meisje in zijn omhelzing zachtjes het lied meezingt. Haar warme adem in zachte stootjes tegen zijn hals. Maar één gedachte in zijn hoofd. Op zijn monitor ziet hij de camera inzoomen op haar hand die nog steeds op de zijne ligt.
‘And a woman needs a man.’ Ze kijkt hem nu recht in de ogen aan, een camera die inzoomt op zijn gedachten. God, was hij maar bij de radio gebleven.
Ze trekt haar hand terug, een brandplek achterlatend. ‘Mag ik je een vraag stellen?’ Ze tutoyeert hem.
‘Natuurlijk mevrouw, op deze dag mag u alles.’ Elk jaar nodigt hij een sterke vrouw uit zodat ze de gemeenschap over haar worstelingen kan vertellen. Over haar overwinningen. Hoe ze ondanks alles haar kinderen een goede opleiding geeft. Maar vooral hoe ze sterk blijft.
‘Mooi zo,’ zegt ze. ‘Do you want to know a secret?’
The Beatles, 1963, zevenenveertig jaar geleden. Het jaar waarin zijn vader wegging. Op 8 maart, de jaardag van zijn moeder. Hij zoekt naar een diplomatiek antwoord.
‘Pardon?’
‘Jullie mannen weten alles, nietwaar? Denken jullie echt dat we deze dag nodig hebben?’
Ze kijkt nu recht in de camera. En dan strekt ze haar hand uit, klopt hem op zijn arm zoals je een huilend kind gerust stelt. ‘Al honderd jaar praten we nog steeds over dezelfde dingen. Elk jaar dezelfde vragen, elk jaar dezelfde antwoorden. Rechten, ondernemingen, werkdagen van achttien uur, voorbehoedsmiddelen. Hou toch op man. All we need is love.’
The Beatles, weet hij, 1967. 

zondag 13 juni 2010

The ‘Blauwgrond Experience’

(geschreven voor Swiet Tesie magazine april 2010)

Vrijdagavond elf uur. Kop aan kont rijden de auto’s. Ogen spieden van links naar rechts. We zien warungs met namen als Rena, Ursie en Pawiro. Al langer dan vijf minuten rij ik met een sukkelgangetje achter een auto die ook zoekt: een geschikte warung, een goede parkeerplaats. Kom je vanuit de Wilhelminastraat, dan zijn de meeste eettentjes links van de weg op slechts een paar meter afstand van elkaar. Rechts is de bekende moskee met hier en daar een halal warung. Aan beide zijden van de weg zijn auto’s geparkeerd. Ik knal bijna op mijn voorganger die plotseling afremt omdat hij een geschikte plek heeft gevonden.
‘Zullen we ook maar hier gaan?’ roept iemand in de auto.
‘Nee, een stukje verder, hier zit bijna niemand.’
Ik rij een eindje door en dan roept ze enthousiast: ‘Daar, bij die tent moeten we gaan eten. Ik zeg je, hun saoto is wrééd lekker!’ 

Naar Blauwgrond ga je in de eerste plaats om te eten. Het eten in de J. Samson Greenstraat, de Louis Goveiastraat en de Jan Besar Rebostraat is er pretentieloos lekker en niet duur. In de tweede plaats ga je er voor de ongedwongen sfeer, er zijn geen kledingvoorschriften en zelfs tafelmanieren zijn niet dringend vereist. Dat je soms in een kleine file moet zitten, neem je voor lief. Je accepteert dat er ook andere mensen zijn die honger hebben. Sommigen hebben gewoon trek en weer anderen zijn komen ‘wandelen’. 

We manoeuvreren langs een paar uitgelaten fietsers met wapperende rokjes, blond haar en rode hoofden die kennelijk net iets teveel sambal in de pittige kippensoep hebben gedaan! Maar joh, dat mag de pret niet drukken, want voor een paar luttele euro’s hebben ze hun buikjes vol gegeten... en bij ’t Vat staan de biertjes al koud.
Personenauto’s met gezinnen of met party-animals worden ingehaald door luidruchtige bromfietsers, meestal jongens van de buurt op
Yampi’s die een fatu komen nemen. Taxichauffeurs rijden rond met buitenlanders die ze trots deze kant van Switi Sranan laten zien. Fully equipped terreinwagens en zacht ronkende Mercedessen rijden zoekend langs en laten zich maar wat graag bekijken op weg naar een span-span nasi of een portie tjekèr, plakkerige kippenpoten. Waarmee duidelijk wordt dat Blauwgrond geen drempels kent. Alles en iedereen komt er. Je komt er je baas en je tuinman tegen. Je ex-vriend en je buitenvrouw. (Of je vrouw, het is maar net wie met wie is gaan ‘wandelen’ die avond!)

Een agent derde klasse brengt zijn nieuwe vriendin voor het eerst uit. Met een royaal gebaar zegt hij: ‘Schatje, bestel maar wát je wilt,’ terwijl hij met gekruiste vingers in zijn broekzak
kraak houdt dat ze een kleine eter is, want het is pas de 23e van de maand. . .
Aan de andere kant van de vitrine waarin al het lekkers is uitgestald, trommelt een bekende ‘poeierjongen’ met zijn goudberingde vingers op het vrolijk gebloemde tafelplastic. Zijn overdadig gepimpte Hummer neemt teveel parkeerruimte in. Ongegeneerd slurpen hij en zijn tafelgenote van een knalroze dawet. Op tafel staan twee kommetjes saotosoep, twee tahoe lontong, vier rund- en vier kipsaté’s, en vier bakabana’s met pindasaus. Met een ‘Hallo mae, poppie, Poniyem, kan je twee bami-met-kip voor me inpakken?’ rondt hij zijn bestelling af. De dame achter de toonbank laat het zich met een glimlach welgevallen en neemt het geld in ontvangst terwijl ze de portiebakjes keurig ingepakt aan hem overhandigt.


Blauwgrond mag met recht het Javaanse culinaire hart van Suriname genoemd worden. Naar Blauwgrond kom je niet om aan een glaasje water te nippen. In feite ben je op bezoek bij de bewoners (de warungs zijn voor hun huis gebouwd) en zoals het traditie is bij Javanen, moet je flink dooreten. Goed, je moet er een kleinigheid voor betalen, maar de prijs is in verhouding met de kwaliteit van het eten aan de lage kant.
Vanaf een houten bankje (de laatste jaren verdrongen door de Jardinstoel) heb je uitzicht op het keukentje waarin je kan zien hoe met kippenbouillon, taugé, geplozen kip en een ei de lekkerste saoto's worden bereid. Let er op dat de bouillon kokend heet is - niets is erger dan een lauwe saoto mét of zonder ei - en breng het op smaak met een lepeltje ketjapsambal of een lepeltje gemalen rode peper. Blazen is toegestaan maar let op als je een lepel soep naar je mond brengt: de taugésliertjes hebben de neiging - op je kleren - te spatten...
Tip voor een verbrande mond: dawet! Mét of zonder maizenasliertjes.


Elke eettent heeft zo zijn eigen fans, mensen die zweren bij een teloh met terie van die éne speciale warung en desnoods een kwartier in de auto blijven wachten tot er een tafeltje vrij is.
Kom in de stemming voor je gaat stappen. Of besluit een avondje uit met een ‘Blauwgrond-kiek’. Als je van die chique bedrijfsreceptie komt, waar je alleen champagne hebt gedronken en minitoastjes met zalm en olijven hebt geknabbeld, dan kan je honger hebben. Verfijnde hapjes zijn lekker maar den no e furu bere...
Op naar Blauwgrond dus, die gezellige wijk die zelfs in Nederlandse kranten zoals de Volkskrant en Trouw op de kaart is gezet als één van de culinaire wijken van Suriname. Je komt er oude vrienden tegen, want je gaat ook naar Blauwgrond om gezien te worden. Langzaam langs de eettentjes rijdend op zoek naar een geschikte plek, zie je iedereen en als je die getinte ruiten naar beneden draait, ziet iedereen jou!

 
Je kunt ook ‘op stand’ eten op Blauwgrond. Mirosso is een opvallend gebouw met een buitenterras, een speciale afhaalafdeling en twee eetzalen. Boven is de eetzaal soms zo koud dat de gasten rillend naar beneden rennen. Hier kun je – in tegenstelling tot de overige warungs – wel alcohol krijgen. Ook hier geen kledingvoorschriften, maar enige kennis van etiquette en tafelmanieren wordt er wel op prijs gesteld. Van de menukaart is af te lezen dat je iets meer betaalt dan bij de huiswarungs. Het eten is er overigens net zo goed, alleen mis je de essentie van de ‘Blauwgrond Experience’: eten op straat.

De meeste warungs zijn open van vrijdag tot zondag (een enkele is ook door de week open). Als je lekker wil eten zonder al te veel te betalen, ga richting Blauwgrond. Nyan switi, slamat makan!

zaterdag 29 mei 2010

Verkiezingsparty in Havana Lounge

Paramaribo, 26 mei 2010. De reguliere midweek-party van de Havana Lounge heeft vandaag een speciaal tintje. Jongeren gaan chillen en napraten over de verkiezingen, uitgedost in de kleur van hun partij. De winnaars hebben niets aan het toeval overgelaten: polo’s, schoenen, nagels, oogschaduw, boxer shorts en zelfs de haren zijn uitbundig in de kleur van de overwinning. Ook de cocktails worden gebruikt om een statement te maken.

Mike zit aan de bar en drinkt een Purple Rain, voorlopig kan hij geen bier meer kan zien. In zijn functie als witwasser was hij verantwoordelijk voor het schoonkrijgen van de vuile partijwas. Het was vechten tegen de bierkaai. Toch hebben ze gewonnen, schone kleren of niet.

Stacy heeft tijdens het campagnevoeren haar strakke schoenen stukgelopen. De oude mocht ze niet aan deze keer. Ze is een studievriendin van Mike en gaat naast hem zitten. Ze praten na over de verkiezingen.

STACY:
Mike, fa? Mi e fristeri yu. San, i sabi fa yu e kleur en! Purple Rain!

MIKE:
Eeey, Stacy. Thanks, man. Ja, we hebben hard gewerkt hoor. Dus tideneti is ontspannen...
Fa waka, kan je nog een beetje lachen? Heb je je oude schoenen aan?

Hij wenkt de ober.

MIKE:
Join me no, moet je ook zo een?

STACY:
Eeey, Mike, no boy, al hou ik ervan. Mi lobi a man, Purple Rain, mi lobi a cocktail disi wreed!

Ze kijkt zoekend in het rond.

STACY:
Maar je moet begrijpen dat ik vanavond niet gezien kan worden met een paars drankje in mijn hand. I sabi toch?

MIKE:
Saaaan, yu e hori en gi mi strak! Maar hoor no, wat ga je drinken? Waarmee gaan we toasten?

STACY:
Ja, het is jullie gelukt. You beat me to it. Dit is Baas boven baas. Wat zal ik drinken vanavond? Even denken...

MIKE:
Dan bepaal ík voor je, toch? Ober, een Pisang Ambon voor deze leuke dame... dat lust je toch wel?

STACY:
Je kan zien van welke partij je bent... gewoon so yu e dicteer libisma, boy!

MIKE:
Stees... zie je hoe dit kind is... Hoe bedoel je, meisje, ik doe je een plezier. Alle vrouwen houden toch van Pisang Ambon?

STACY:
Laat me hoor, omdat dat ding groen is, bestel je ‘t voor me, leki mi no sabi!

MIKE:
Zie je Stacy, vrouwen... ze weten nooit wat ze willen. Je wil geen paars met me drinken, wel, okay dan, dan drink je groen!

STACY:
Niet dat ik geen Purple Rain met je wil drinken... Maar have a heart toch, tide mi no man! Niet op een dag als vandaag. Luister, geef me dat groene ding van je hoor...

MIKE:
Ho ho, meisje! Voorzichtig met wat je zegt, hoor! Dat ding van me is niet groen... meisje, ik verzoek je...

STACY:
Haha, meneer wil leuk doen...eey, what about m'n drankje...

De ober zet een groene cocktail voor haar neer. Op de rand is een wit parasolletje. Ze haalt hem eraf en zet het hem in het glas van Mike.

STACY:
Asjeblieft, dit hoef ik niet. Proost, mi man, op Suriname!

MIKE:
Dus wat? Je wil niet onder mijn paraplu. A sma disi... yu tya opschuif, yère!

STACY:
Haha, je hebt al voor me bepaald toch... dan wil je dat ik ook onder die paraplu van je moet komen zitten... Jongen, laat me hoor!

MIKE:
A regel, proost.
Eey, kijk niet, nee, draai je niet direct om, zit rustig... Ay, nu kan je je langzaam omdraaien. Te laat, hij heeft al een foto gemaakt... wacht even... Ooo, dus je wist ‘t. Yongu Stacy, nu zie ik het, het is jullie eigen fotograaf! Doorgestoken kaart.

STACY:
Dan wát? Néks no fout, toch?

MIKE:
Stacy, dit kan niet hoor! We chillen toch, dan maak je afspraak met de paparazzi!

STACY:
Luister, broeder, jullie hebben gewonnen toch, is mooi. Maar weet je hoeveel geld mijn sponsors in mij hebben gestopt? Denk je niet dat ze iets terug willen... den man no law!

MIKE:
Dus wat? Ik had geen sponsors?

STACY:
Ja, maar jij hebt gewonnen, brada. Jullie hebben Lotto, Copulot, SNAK, Straatcode... de boel hebben jullie binnengehaald. Ze gaan het binnenkort duizendvoudig terugkrijgen. Vooral die partij van je...no mí no e moksi...

MIKE:
Dát is jullie probleem. Unu no e moksi... die partij van je is arrogant, niet normaal, hoor! Yere no, een enkeling is een drenkeling! We moeten samenwerken.

STACY:
Samenwerken, nee me schat, ik hou van puur, écht, onversneden, i sabi toch...

MIKE:
Ay, mi sabi. Zie je niet wat je drinkt? Puur, Pisang Ambon. Groen no wan moksi. Jullie zijn zo full of yourself, zo zwaar, net als die Pisang Ambon die gelijk naar de bodem zinkt.
En precies daar blijft het liggen. Je moet het heel hard roeren, i musu seki en, dan pas ay moksi.

STACY:
Dus wat, je bedreigt me?

MIKE:
Nee, is gewoon scheikunde: E is MCkwadraat omdat we een eenheid vormen.

STACY:
Mooi, man, typisch. En daarom drink je allerlei moksi dingen door elkaar...
Ik kan je één ding zeggen, de volgende dag...die kater die je hebt wanneer je opstaat, is niet mals! A sani na wan molotovcocktail!

MIKE:
Is goed, hoor, drink je groen. Die partij van je is toch de pisang!

STACY:
We zijn allemaal de pisang. Wacht wanneer die mannen je gaan vinden...

MIKE:
Welke mannen gaan me vinden?

STACY:
Die mannen die hebben gegeven... ze gaan komen nemen.

MIKE:
Kon unu libi a tori. Laten we onze functies vergeten vanavond. Ik hoor Lucky Dube, mijn favoriet. Kom dansen.

STACY:
Okay. Geef me nog een drankje...meki moro doro...

MIKE:
Ik wil met je dansen, alvast toenadering zoeken tot de tegenpartij... 

i sabi toch, combinatie...!

STACY:
Diff’rent colours...

MIKE:
...one people...
Maar kom een beetje dichterbij, no. San psa, ik mag je niet stevig vasthouden? Plotseling ben je bang van strak...

STACY:
 Als je me zo stevig vasthoudt, krijg ik blauwe plekken, en je weet welke kleur ze na een paar dagen krijgen... No, thank you!

vrijdag 30 april 2010

Is er nog ethiek in de media?

Foto’s van huilende familieleden. Een arm om een schouder, gezichten vertrokken van verdriet. Witte en zwarte kleren, een trieste sfeer. Een aantal foto’s in de krant bij het artikel over de begrafenis van de directeur van de Luchtvaartdienst, John Veira.
 
Iedereen was geschokt door het nieuws van de brute moord op deze vredelievende man. Er is veel om te doen geweest. Het onderzoek ging van nationaal naar internationaal, Guyana startte een onderzoek naar een verdwenen helikopter, de eigenaar van Hi-Jet Suriname voelt zich in zijn goede naam en eer aangetast, enfin, soso dyugu dyugu.
 
Op zijn zachtst gezegd: vervelend voor de familie. Nog vervelender lijkt het mij wanneer je op je zwakste momenten wordt gefotografeerd en met al je leed pontificaal in de krant en op het internet wordt afgebeeld. De vraag die bij mij rijst is: wat voor meerwaarde hebben deze foto’s voor het artikel?

Discretie en begrip voor de gevoelens van mensen waren vroeger bijna vanzelfsprekend. Tegenwoordig gaan journalistiek en ethiek allang niet meer hand in hand. Camera’s verdringen zich rond het leed van mensen om alle emoties en ellende zo uitgebreid mogelijk weer te geven. Kijkcijfers! Zo kunnen we regelmatig rond vijf uur ’s middags zien hoe de camera inzoomt op half vergane lijken die uit het water worden gevist en krijgen we soms een uitgerukt oog of een afgerukt been in close up. Vaak begeleid door onflatteuze beelden van gillende en ontroostbare mensen die voor het oog van de hele Surinaamse samenleving met een omgekomen familielid geconfronteerd worden.
 
Ik geloof dat er andere manieren zijn om het nieuws te verslaan zonder de waarheid geweld aan te doen. Zónder de integriteit van mensen te schenden en mét respect voor hun privacy. Overzichtsfoto’s, een foto van de overledene in de kist of van iemand die een toespraak houdt, kunnen ook de tekst ondersteunen. Een fotograaf hoeft niet altijd het uiterste uit zijn telelens te halen!

De drang naar reality tv is ook onze kerken binnengeslopen. Er worden regelmatig kerkdiensten vertoond waarin het evangelie wordt gebracht middels preken en lofprijs. Prima, daar is niets mis mee. Maar er zijn soms momenten in bepaalde diensten waarbij mensen naar voren gaan voor gebed, voor genezing en daar komen vaak heftige emoties aan te pas. Dát zou het moment moeten zijn waarop de cameraman zijn camera uitschakelt of waar de uitzending ophoudt. Maar teveel kerken leven in de veronderstelling dat het een opdracht van God is om zonder terughoudendheid alles te laten zien. Ze vergissen zich. Het heeft niets te maken met schaamte voor je geloof, maar alles met het feit dat ieder mens het recht heeft zijn geloof in alle privacy te belijden. Ik ben zelf lid van een evangelische kerk en ik moet er niet aan denken dat ik tijdens mijn geloofsbeleving beeldvullend op de televisie kom. Stel je voor! 
Uiteraard is er vraag naar speciale diensten op hoogtijdagen, er zijn nu eenmaal mensen die niet naar de kerk kunnen gaan en toch de sfeer willen proeven. Maar om met de woorden van Prediker dit betoog kracht bij te zetten: ‘Er is een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken.’
Aan de media zeg ik: ‘Er is een tijd om de camera uit te doen.'
 
Want waar eindigt het nieuws en waar begint de sensatie?

zaterdag 17 april 2010

Limerick in het Sranan

Wan yayo misi f’ Nyun Foto
ging dansen in een bigi koto.
A ben go nanga en pèl
d’ a ben weri heri stel.
Den ben go nanga limousien oto.

Èn pa Hendrik fu baka Konasi
kon niet meer met die misi haar fasi.
A wenke ben griti en
en baka ben priti en
A ben habi fu suku osopasi.

Tra dey f’en a misi nanga en koto
fen’ wan dansi tapu SMS-boto
A sma kap’ en tros
ze gooide alle remmen los.
Te fu k’ba a kapséis nanga a boto.

Pa Hendrik fu Konasi ben sari
bika en lobi fu omeni yari
ben gwe go lasi
tangi f’ yayo pasi
Èn tye, !dati ben hebi fu tyari.

vrijdag 16 april 2010

Vrouwen tonen klasse bij schrijversavond

door Ruth Nortan

03/04/2010
Paramaribo - ‘Om te leven, leeft ze niet’, is de laatste regel uit het gedicht ‘Leven’ van Alphons Levens over de vrouw tijdens de bijzondere Schrijversgroep ‘77-avond in Tori Oso. Met dit gedicht geschreven in 1992, kenschetste Levens na bijkans achttien jaren de nog steeds actuele leef- en werksituatie van de Surinaamse vrouw. Met vaste hand dirigeerde Anne-Marie Sanches conferencier, het programma en aan het einde bemoedigde zij de vrouwen met de woorden: woman, uma, vrouw, mujer i’m proud of you.

Ismene Krishnadath vervolgde de avond met een stuk uit ‘Eens op een einde’, waarmee zij de panelleden boeide en tegelijkertijd verraste. Dit vanwege het feit dat Krishnadath van origine een jeugdliteratuurschrijfster is. Volgens Eddie van der Hilst en Roue Hupsel was het verhaal goed opgebouwd terwijl Frits Wols haar schrijfstijl gedurfd noemde.

In tegenstelling tot dat van Krishnadath, was het verhaal van Arlette Codfried volgens Wols geschikt als concept voor een volkstoneel. Codfried herinnerde in haar laatste woord panelleden en publiek eraan dat zij schreef op basis van alledaagse gebeurtenissen. Het verhaal over Marnie was geschreven naar aanleiding van het programma Whazz up, waarbij de schrijfster zich afvroeg wat als je naar een dergelijk programma kijkt en je ziet je man, die volgens jou op dienstreis is in het buitenland. Codfried kreeg bijval van het publiek die het oneens was met Wols en juist van mening was dat ook dit verhaal een waardige plek verdiende.

Michiel van Kempen bracht diepzinnige gedichten en Claudette de Bruin werkte danig op de lachspieren van het publiek door haar voordracht. Humoristisch en krachtig met bijbehorende lichaamsbewegingen die het gepresenteerde accentueerden. “Ik hou van taal en speel ermee”. Alida Neslo de hekkensluiter , deelde met het publiek ervaringen uit haar dagboeken waarin zij vanaf haar twaalfde schrijft en kreeg daarvoor een welverdiende waardering. Volgens Wols kon Neslo de magie in haar stem wanneer zij bezig was ,goed gebruiken bij radioprogramma’s. Neslo die een bekend theatermaakster is, bevestigde haar liefde voor radiowerk en besloot met , “misschien komt dat nog”. Bij de ontroerende voordracht van Jeanett Vonsee over haar overleden moeder neigde menigeen eenmaal diep te slikken.

Hilde Neus gaf een demonstratie van een vrouw die verschillende petten op had. In haar korte intro waarin zij over haar liefde voor onderzoek vertelde, werd zij door Wols gestimuleerd, meer dan ooit de Surinaamse geschiedenis te onderzoeken en vast te leggen. Alle presentatoren waren stuk voor stuk uniek in hun presentatie. De avond had een vlot verloop en was zeker de moeite meer dan waard.-.



woensdag 7 april 2010

Collectie van Trefossa naar Nationaal Archief Suriname



door Claudett de Bruin

 
Wanneer op 12 april a.s. het nieuwe gebouw van het Nationaal Archief Suriname (NAS) officieel in gebruik wordt genomen, wordt ook de nalatenschap van Trefossa – pseudoniem van Henri Frans de Ziel (1916-1975) – aan Suriname teruggegeven. Het literaire werk van deze Surinaamse dichter is van groot belang geweest voor de ontwikkeling en de opwaardering van het Sranan. De overdracht, die voor Suriname van grote cultuurhistorische waarde is, wordt gedaan door Cynthia Abrahams, voorzitter van de Werkgroep Nalatenschap Trefossa Nederland en Cherida de Ziel.

Abrahams is Engelse taal- en letterkundige en bibliothecaris en werkt al enige tijd aan een promotieonderzoek over het leven en werk van Dobru (Robin Raveles).

“Op de C.R. Froweinschool kreeg ik Nederlands van Trefossa. Voordat hij docent werd, was hij van 1956 - 1958 directeur-bibliothecaris van het Cultureel Centrum Suriname. Maar zijn roeping lag in het onderwijs. Hij was dan ook docent in hart en nieren.”

Trefossa heeft een beslissende invloed op de studiekeuze van Abrahams. Zijn liefde voor het bibliotheekwezen is aanstekelijk en uiteindelijk studeert ze aan hetzelfde instituut waar hij zijn opleiding genoot, de Stadsbibliotheek in Haarlem en de Koninklijke bibliotheek.

Zes meter boeken en 2000 vellen papier
In juni 2004 komt Abrahams tijdens haar promotieonderzoek in contact met mr. Kenneth Jap A Joe die net als Dobru aan de Surinaamse Rechtsschool heeft gestudeerd en met hem in het bestuur zat van de studentenvereniging Labor Omnia Vincit. Dan blijkt dat de nalatenschap van Trefossa door zijn weduwe, Hulda de Ziel-Walser, aan mr. Jap A Joe in bewaring is gegeven. Is het de geest van Dobru die hier een handje helpt?

Abrahams krijgt de gelegenheid de collectie te bestuderen en is van mening dat de erfenis terug moet naar Suriname waar de collectie thuishoort. Dit blijkt ook in overeenstemming te zijn met de wens van Henry en Hulda de Ziel.
De collectie bestaat uit twee delen: een grote verzameling boeken – waaronder Surinaamse publicaties – met een lengte van ongeveer zes strekkende meter en een aantal schriften en documenten van ongeveer 2000 vellen papier. Hieronder bevinden zich de dagboeken van Trefossa en een aantal schriften met een gevarieerde inhoud. Ook zijn scriptie L.O. Nederlands, diploma’s en overige door hem geschreven artikelen. In zijn handschrift zijn ook het Surinaamse volkslied en de dagboeken van Johannes King waar hij in overleg met de Nederlandse taalkundige prof. Jan Voorhoeve aan werkte. In de collectie zijn er voorts gedichten die hem door anderen werden toegestuurd. Ook Dobru stuurde hem zijn werk en in een van de schrijfblocs is nog een brief in het klad te lezen die Trefossa aan Dobru schreef. Het mag volgens Abrahams bijzonder genoemd worden dat er zoveel van zijn nalatenschap intact is gebleven. Vast staat wel dat de collectie niet compleet is.

Werkgroep Nalatenschap Trefossa Nederland
In januari 2007 benadert Willi Walser, de broer van Hulda, op advies van familievriend Hans Breeveld, Cynthia Abrahams om zitting te nemen in de Werkgroep Nalatenschap Trefossa Nederland. De werkgroep bestaat uit drie leden: Gety de Boer en Cherida de Ziel (een nicht van Trefossa) en Cynthia Abrahams als voorzitter. Het doel is om de nalatenschap van Trefossa ter beschikking te stellen aan de wetenschap en er een waardige plaats voor te vinden.

Terwijl ze in Suriname is voor haar onderzoek naar Dobru, kijkt Abrahams tegelijkertijd uit naar een laagdrempelige plaats om de collectie onder te brengen, zodat de Surinaamse gemeenschap conform de wens van Trefossa’s weduwe, toegang kan hebben tot de culturele erfenis. Het oude archief is niet geschikt, maar wanneer bekend wordt dat er een nieuw gebouw komt, benadert ze - na overleg met de werkgroep - het managementteam van het NAS. Het NAS reageert positief en schrijft een projectvoorstel waarin wordt vastgelegd dat de volledige collectie toegankelijk moet zijn voor wetenschappelijke bestudering. Via een stappenplan zal de collectie vanuit Nederland naar Suriname worden overgebracht.

Abrahams komt daarna nog enkele keren naar Suriname en heeft intensief contact met Rita Tjien Fooh van het NAS. Wanneer ze niet in Suriname is, verloopt de communicatie via e-mail.

De boekencollectie is inmiddels voor enige tijd in bewaring gegeven aan Cor de Bruyn, een goede vriend van de familie Walser, en verhuist in 2007 naar het huis van een van de leden van de werkgroep.
Door bemiddeling van de Surinaamse ambassade in Nederland kan in 2009 het eerste deel van de omvangrijke collectie naar Suriname worden verscheept.
De dagboeken, schriften en overige documenten zijn recentelijk met medewerking van de SLM in Suriname aangekomen.
Het is de bedoeling dat de gehele collectie zo snel mogelijk wordt gedigitaliseerd.

Volkslied
Trefossa is de schrijver van het Surinaamse volkslied. In 1959 krijgt hij van de Surinaamse regering de opdracht een Sranan couplet te maken voor het volkslied waarbij als enige voorwaarde wordt gesteld, dat het de eenheid van het Surinaamse volk en de verbondenheid met het grondgebied moet benadrukken.

In de Memorie van Toelichting die hoort bij de betreffende ontwerp-landsverordening staat o.m.: “Daarnaast is een Surinaamse tekst, van de dichter Trefossa, in de bijlage van het ontwerp opgenomen. Dit is niet alleen geschied met het oog op diegenen van het volk, die de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar vooral ook omdat deze tekst naar het oordeel van de Regering de nationale gevoelens welke het Surinaamse volk bezielen, voortreffelijk vertolkt.”
Maar Trefossa gaat een stapje verder en sleutelt ook aan het Nederlandse couplet dat in 1893 door ds. Hoekstra is gemaakt. Deze luidt als volgt:

God zij met ons Suriname,
Hij verheff’ ons heerlijk land.
Doch dat elk zich dan ook schame
Die zijn ere maakt te schand!
Recht en waarheid te betrachten,
Zeed’lijk rein en vroom en vrij,
Al wat slecht is te verachten,
Dat geeft aan ons land waardij.

Abrahams herinnert zich hoe Trefossa - meneer de Ziel - in de klas uitleg geeft over de reden van zijn aanpassing. “Hij vond de invalshoek van het Nederlandse gedeelte negatief en wilde er een positieve connotatie aan geven.”

Trefossa maakt ervan:

God zij met ons Suriname,
Hij verheff’ ons heerlijk Land.
Hoe wij hier ook samen kwamen
Aan zijn grond zijn wij verpand.
Strijdend houden we in gedachten:
Recht en waarheid maken vrij:
Al wat goed is te betrachten,
Dat geeft aan ons Land waardij.

De wijziging vindt weerklank in de Raad van Ministers, alleen wordt ‘strijdend’ veranderd in ‘werkend.’

Erkenning
Trefossa bedenkt het Sranan woord voor zelfstandigheid – ‘srefidensi’ – maar het is hem niet gegund om op 25 november 1975 de overgang mee te maken: enkele maanden voor de onafhankelijheid overlijdt hij.

 

In 1977 wordt door het Bureau Volkslectuur onder leiding van prof. Jan Voorhoeve ‘Ala Poewema foe Trefossa’ uitgegeven waarin verzamelde gedichten, interpretaties, een biografische vertelling en recensies.

In 2004 overlijdt Hulda de Ziel-Walser en geheel volgens hun beider wens om samen een laatste rustplaats te vinden in Suriname, worden hun urnen door Hans Breeveld vanuit Nederland naar Suriname gebracht. Op 21 november 2005 onthult president Ronald Venetiaan een grafmonument waarin de urnen van Trefossa en zijn Hulda worden bijgezet en hiermee is het lichaam van de dichter aan zijn geboortegrond teruggegeven.

Volgens Abrahams wordt met de overdracht van de nalatenschap aan het Nationaal Archief Suriname ook het ‘gedeelte in diaspora’ van Trefossa nationaal bezit. Trefossa is weer thuis.

Geplaatst in De Ware Tijd van 7 april 2010