woensdag 10 oktober 2012

Fifty Shades of Nothing


Ik ben een leysi bakru, een boekenwurm. Een leysi bakru leest, leest véél. Nu weet ik niet of er een leysi bakru-hiërarchie is maar voor het geval die er is, behoor ik tot de leysi bakru-adel. En zoals elke edelman van tijd tot tijd werd geïnformeerd over het wel en wee van de horigen, zo is het voor leysi bakru’s goed om kennis te nemen van de laatste trends en kan het gebeuren dat ik af en toe boeken lees waar ik in eerste instantie mijn literaire neus voor optrek. Even bakru-royalty has to think outside the box so now and then, right?
Het overkwam me een aantal maanden geleden met de voorlaatste hype The Hunger Games. Fantasy/SF interesseert me niet echt, al die rare wezens op verre planeten met namen die ik niet eens in gedachten kan uitspreken...
Toen een literaire vriendin (ook van adel) het boek op Facebook aanprees, heb ik dapper mijn zelfopgetrokken muur neergehaald en ik heb er geen moment spijt van gehad. The Hunger Games is een geweldige trilogie, meesterlijk geschreven en met zoveel fantasie dat je je afvraagt of de auteur een extra gen in haar DNA heeft. Ik beveel het dan ook van harte aan.

Fifty Shades of Grey is een erotische roman en de boekenhype van 2012. Weer kwamen van alle kanten aanbevelingen. Als ervaren lezer weet ik heel goed wat ik wel en niet wil lezen. Dit boek wilde ik niet lezen. Toch heb ik de trilogie gedownload (illegaal, dus gratis!) met de bedoeling misschien weer een keer ‘outside the box’ te lezen.
Vanmiddag was het zover. Binnen een half uur had ik deel 1 en deel 2 leesmatig ‘gescand’. Deel 3 is niet aan bod gekomen omdat de ervaring leert dat bij populaire trilogieën het laatste deel meestal een slap aftreksel is van de voorgaande boeken. 

Erotiek in een roman kan ik zeer waarderen; ik lees daarom graag uit het Frans vertaalde boeken en kan genieten van de verfijnde erotiek in de oude Chinese en Japanse verhalen.  Wanneer ik echter tussen de erotiek het verhaal niet kan vinden, houdt het voor mij op.
Deze trilogie is een duidelijk bewijs dat een bestseller niet noodzakelijkerwijs een literair meesterwerk hoeft te zijn. Overigens is dat ook niet wat de schrijver pretendeert!
Dat het boek felle tegenstanders heeft, zal niemand verwonderen, SM-seks is nou eenmaal geen gezellig koffietafelonderwerp; niet veel mensen zullen er prat op gaan hoe ‘heerlijk hun geliefde ze de afgelopen nacht heeft afgetuigd’. 

Het verhaal overstijgt de bekende en populaire Bouquetreeks niet. Zelfs het format lijkt eender – timide studente solliciteert bij rijke, jonge en intimiderende zakenman –  alleen gaat de schrijver hier explicieter in op de seksuele daden. Cliché’s treffen je als zweepslagen met hun banaliteit, dialogen verrassen niet en moderne kreten als Holy shit! en Holy cow! ontsieren gecursiveerd menig alinea. Goed voor de verkoopcijfers maar OMG!, een bloody ergernis voor de verwende lezer.

Ik erken het bestaansrecht van alle soorten leysi bakru’s, smaken verschillen en lezen is nou eenmaal niet zo zwartwit. De liefhebbers moeten vooral blijven genieten van de boeken van E.L. James maar ik adviseer hen om af en toe outside the box te denken. Ik heb mijn digitale exemplaren zonder enige pijn gedelete. Er is nu weer ruimte in mijn adelijke box dus ik blijf daar nog even in de wetenschap dat Vijftig Maal Niets nog altijd gewoon niets is.

zaterdag 15 september 2012

Niets nieuws onder de zon

Wat er was, zal er altijd weer zijn,
wat er is gedaan, zal altijd weer worden gedaan.
Er is niets nieuws onder de zon.

De wijze koning Salomo van wie algemeen wordt aangenomen dat hij het Bijbelboek Prediker schreef, wist het al: alles dat is, is al geweest. In al die jaren dat de mensheid bestaat, hebben we gewoon hetzelfde kringetje afgelegd, alleen steeds in een ander tijdperk. Tijdens het kringetjedraaien vonden we als mensheid zo af en toe iets uit. We gaven er een naam aan, staken er draadjes in en haalden die draadjes weer weg. En noemden het wireless.

Veel dingen van nu – met hun stainless steel verpakking en spiegelende oppervlakken – dienen hetzelfde doel als in de tijd van Salomo. Neem bijvoorbeeld de communicatie. Ik doe zomaar een greep: de markt, een plek waar in de tijd van Salomo op allerlei niveau’s werd gecommuniceerd. Daar kwam men op vaste tijden bijeen, of als het zo uitkwam omdat er een handelskaravaan langsging. Verkopers etaleerden hun koopwaar en prezen het aan. Wie het hardst schreeuwde en de aandacht op zich wist te vestigen, deed de beste zaken. Het volk kwam erop af en kocht.
Tussen al dat kopen en verkopen door wisselde men de laatste nieuwtjes uit: welke koning zou worden afgezet en waar je absoluut niet moest gaan werken omdat je bij die ploegbaas veel te zware blokken marmer moest sjouwen. 

Terwijl de mannen dergelijke zaken bespraken, deelden de vrouwen de laatste roddels: die van achter de heuvels had alweer een miskraam gehad, dat m
óest wel een straf van Boven zijn. Die van het dal sliep al een tijdje met de man van haar zuster, die motyo! En tussen al dat geroddel door vlogen de kwinkslagen en odo’s je om de oren en iedereen wist over wie het ging of voor wie de boodschap bestemd was. Ruzies werden uitgevochten, men pronkte met de nieuwste kleren, er werd verleid, gelonkt, geflirt. 

Tegen sluitingstijd brak iedereen weer op, laadde de koopwaar op ezels of kamelen en ging huiswaarts om op de volgende marktdag weer present te zijn. Om koopwaar - of zichzelf - aan te prijzen, om te kopen of om op te lichten, om te roddelen of om het laatste nieuws te horen. Om sneren uit te delen, om te verleiden, te pronken en te flirten.
De tijden zijn veranderd, de markt is er nog steeds. Maar dan in een upgraded version: het heet nu Facebook.

Wanneer men van iets zegt: ‘Kijk, iets nieuws,’
dan is het altijd iets dat er sinds langvervlogen tijden is geweest. (Prediker: 9-10)

woensdag 12 september 2012

The sky is the limit


Op deze foto zie je een Afrikaans kind. Vies, arm, stoffig. Niets nieuwswaardigs aan. Alleen heeft deze een potsierlijke houten bril op zijn neus. Kijk, dát is leuk. Dat gaan we sharen. Een kop erbij: ‘Lady Gaga African Style’, en hup, op Facebook. Zodat we allemaal kunnen (uit)lachen, liken en door-sharen. Whahahahaha! ROFLMAO.
Kijk je langer naar de foto, dan begin je je te verbazen. Over dit kind dat misschien op een jute zak heeft geslapen. Is hij een wees, een vluchteling? Heeft hij ontbeten? Wanneer heeft hij voor het laatst een evenwichtige maaltijd gehad? Toch heeft hij – ondanks zijn kennelijke staat van armoede - iets geschapen, heeft hij van niets iets gemaakt.
Creativiteit zit in onze genen en uit zich in allerlei vormen. Arm, rijk, wit, zwart, we worden er allemaal mee geboren. Wat doen we er vervolgens mee? Ontwikkelen we het bij onszelf en bij onze kinderen? Of lachen we uitingen van creativiteit uit – LOL - en vinden we ze belachelijk om vervolgens wél de resultaten van andersmans creatieve inspanning te sharen?
Deze jongen met zijn grauw hemd heeft waarschijnlijk nog nooit van Lady Gaga gehoord. Zijn creatie is uniek. H
íj had oog voor de mogelijkheden die het afval bood en hij pronkt dan ook trots met zijn bril. Dat hij een beetje verlegen kijkt, is waarschijnlijk te wijten aan de camera die hem intimideert. Als je naar de details en naar de afwerking kijkt, kan je niet anders dan vaststellen dat hij niets aan het toeval heeft overgelaten.
Dit Afrikaanse kind ziet geen beperking. The sky is the limit. Ha! denk ik, LOL, life can take over his body but not his mind. Ik kijk uit naar zijn volgende creatie.

donderdag 6 september 2012

Het waargebeurde verhaal van ******olie en GO2


Er was eens in een land niet van hier vandaan een oliebedrijf dat pompstations overnam van het bedrijf dat zich uit haar land terugtrok. Op een goede dag besloot dit bedrijf – we noemen haar ******olie – om een eigen naam te voeren voor haar nieuw verworven stations. Het siert een oliebedrijf immers om om voor al haar bezittingen een eigen, originele naam te hebben. 

******olie riep een paar wijze mannen en vrouwen bij elkaar die hun hoofden bogen hoe deze kwestie aan te pakken. “Noem het gewoon ‘******olie Pompstation’ opperde de oudste en dus meest wijze man. ‘Welnee,’ zei een wijze dame, ‘dat is ouderwets, het moet een Engelse naam zijn. Wat dachten jullie van ******oil Gas Station?’
‘Mens, ga naar je pingkransje,’ zei een grijze eminentie. We zijn de Ogane niet.’
En zo kibbelden ze tot iemand het idee opperde een wedstrijd uit te schrijven. Allemaal knikten goedkeurend, ja, d
át zouden ze doen, een wedstrijd uitschrijven. Een vrekkig commissielid bedacht dat het ook zou schelen in de kosten, ze moesten immers op hun dukaten letten want het ging niet goed in de wereld.

Ze lieten herauten en koeriers het nieuws door het hele land rondbazuinen: ‘Doe mee, doe mee. Bedenk de naam en laat je tot held slaan. Je naam zal voor eeuwig worden vastgelegd in het Boek van ******olie.’

Het volk juichte, iedereen wilde immers tot held worden geslagen. Ze togen massaal aan de slag. Ze slepen hun potloden, poetsen hun muizen op, betaalden hun ADSL-rekeningen en bogen zich over een oplossing. De naam moest nieuw zijn, in hun rijk en in alle andere rijken van de wereld. Velen raadpleegden de Machtige Wijze, de omnipotente Google, die de ontbetwiste heerser was in het Land van Kennis. Ze gunden hem geen rust, de lucht boven het Land van Kennis gonsde van de activiteit, de machtige Google hield dag en nacht audi
ënties. 

En toen ... was het eindelijk zover: de heersers van ******olie namen plechtig plaats achter hun tafel en het volk stroomde toe en hield de adem in. De naam! Als die bekend was, wisten ze ook wie er die dag met olierijke pracht en praal tot held zou worden geslagen. Ze zouden diep voor hem buigen, ze zouden het hun kinderen, hun kleinkinderen vertellen. Die gedenkwaardige dag zou voor altijd in de annalen blijven voortleven. 

De paukenspeler gaf een roffel. De koperblazers bliezen hun wangen stuk. De spanning steeg. “En de naam is...”
Mannen spanden hun kaken, knepen hun ogen dicht. Vrouwen roken driftig aan hun zakdoeken met alcolado, de opwinding werd sommigen te veel. 

“...GO2!”
Niemand bewoog. Hadden ze het goed gehoord? Was dit een bekendmaking van ******olie of van Ajemgold? Weer klonk het: “...GO2!” De wijze mannen keken trots en achter de tafel applaudisseerde er iemand. Het volk raakte in de war maar het applaus klonk dwingend en de massa klapte mee al wisten ze niet waarom. “Mooi!’ riep de directeur van ******olie. “Prachtig!” riep de commissie van wijze mannen als
één man. “O, beeldschoon, werkelijk!’ kweelden de wijze dames.
Toen riep iemand uit het publiek: “Dieven! Fufuruman! Abangi’s zijn jullie!” Hij worstelde zich woedend uit de menigte en ging vooraan staan: “Het bestaat al! Vraag het maar aan de heerser van het Land van Kennis!’
“Google!”, gonsde het door de menigte. “Google!” riep een opgeschoten jongen en hij hield een klein rechthoekig apparaat omhoog. “Kijk maar, zie het zelf.”
En ja hoor, ze zagen het allemaal: het stond er zwart op wit, geel op blauw, groen op zwart en pimpelpaars op hemelsblauw: een G, een O en een 2.

“Leugens!” riep de nestor der wijze mannen, “allemaal leugens. Dat vierkante kastje is geen land, dit is een land, het rijk Suriname. Hier bestaat het en daar gaat het om.” Hij keek minachtend naar het volk: “Zijn jullie echt zo dom om te geloven dat in dat kleine zwarte doosje mensen en landen en bedrijven wonen? Wat een onzin!”

Maar toen staken alle mensen
één voor één hun handen in hun tas of zak en haalden hun eigen doosjes tevoorschijn, sommigen zwart, anderen roze, je had er zilveren bij en zelfs roze met poesjes en glittersteentjes erop. En allemaal zagen het: zoveel G’s en O’s en 2-tjes hadden ze nog nooit bij elkaar gezien. Toen begrepen ze het, ze waren beetgenomen. Ze protesteerden hevig en vroegen om het hoofd van de held, ze eisten de kop van de nestor der wijze mannen.  

Ze beraamden een paleisrevolutie. Maar ******olie was oppermachtig en als een echte despoot weigerden zij om te buigen. 

Toen, in het heetst van de oproer, kwam er een koerier aangesneld met een boodschap uit een ander rijk. De vreemde koning was boos, de naam op zijn zegel was gestolen door een naburige heerser. En de koning pikte dat niet. Hij besloot dat het tijd was om de leugenachtige heersers van ******olie een lesje te leren. Hij beraamde een plan.

Wil je weten hoe dit afloopt? Blijf in sprookjes geloven maar weet dat alleen de waarheid echt is. 


Not The End.





GO2: Echt of doublé? (Ingezonden stuk voor de krant)

De afhandeling van de Kis A Grani-wedstrijd, heeft in de samenleving nogal wat stof doen opwaaien. Diezelfde samenleving die massaal heeft geparticipeerd aan de naamgevingswedstrijd. Staatsolie heeft dan ook een zeer effectieve – en fraaie – campagne gevoerd: een mooie tv-spot, goede PR en daarvoor dan ook mijn welgemeende complimenten. Ook het feit dat de naamgeving als nationale zaak werd gepresenteerd, sprak de gemeenschap – en ook mij - aan. 

In de tv-spot zijn de Surinamers Johan Ferrier, Eddy Jharap en Anthony Nesty terecht neergezet als nationale helden die hun grani hebben verdiend door zich met veel inspanning in te zetten voor land en volk. 

Wat zien we nu? Op 3 september 2012 wordt de internationaal reeds bestaande merknaam GO2 (notabene van een soortgelijk bedrijf/product) met veel fanfare tot winnende naam uitgeroepen. Onze nationale Staatsolie pronkt dus met andermans veren, met een naam die niet voldoet aan de gestelde actievoorwaarden. De nieuwe naam mocht namelijk zowel nationaal als internationaal geen bestaande merknaam zijn. De Kis A Grani-organisatie heeft haar eigen wedstrijdregels met voeten getreden en zo haar afspraken met duizenden deelnemers geschonden, in feite eenzijdig opengebroken. Achteraf werd deze fout niet gecorrigeerd, maar met veel omhaal van woorden goedgesproken.

Het 'Staatsolie Heldenboek' uit de tv-spot is leuk bedacht maar zal altijd een intern boek blijven. De geschiedenis echter zal niet alleen melding maken van de introductie van GO2 in het jaar 2012 maar ook van de ontstane commotie en misschien zelfs van de gevolgen van de schadeclaim die door de Amerikaanse eigenaar van GO2 tegen het Surinaamse GO2 aanhangig werd gemaakt.

No wan grani fadon gi Sranan. Over de ruggen van ware helden zijn deelnemers aan de wedstrijd op het verkeerde been gezet. Als staatsbedrijf pronken met de naam van een buitenlands bedrijf is niet iets om trots op te zijn. Er is overigens een woord voor: plagiaat. En het goud blijkt niet echt, maar doublé.

zaterdag 17 maart 2012

Alenspiratie

steel
de pijpen
die regenen
zegenen
huppelen
druppelen
op dak
en goot
het giet
het hoost
een hond
een kat
alles nat

steel  
de pijpen

zondag 18 september 2011

Hoofdzaken en bijzaken



Mijn Gmelina phillipensis staan al langer dan elf jaar vlakbij de schutting. Ik kreeg ze van een lieve vriendin met groene vingers. Ze is er helaas niet meer maar de boom met zijn wirwar van doornige takken en gele bloemen groeit onverstoorbaar door. De lekennaam voor deze plant is Snapdragon Bush, Parrot’s Beak of Hedgehog. De Surinaamse naam ken ik niet, Phyllis, mijn vriendin, noemde hem buranduri en daar hou ik het dus op. De boom is een bron van genot; de hele dag hangen kolibries bij de gele bloemen. Op gezette tijden is de boom ook een bron van ergernis: de takken groeien vreselijk hard en hij moet regelmatig in model worden gesnoeid.
Door de jaren heen zijn de takken van mijn buranduribomen – ik heb er twee – in elkaar verstrengeld geraakt tot een bijna ondoordringbaar bladerdak waaronder het koel en schaduwrijk is. Elke open plek wordt ook nog eens ongenadig opgevuld door een woekerplant met lange uitlopers en brede, hartvormige bladeren. Snoeien is een rotklus, het is moeilijk de doorns te ontwijken en je bent lang bezig. Ik doe het dan ook met mijn verstand op nul. Behalve gisteren.

Gisteren was anders. De uitlopers slierten weer eens alle kanten uit en met de snoeischaar in mijn hand stond ik mismoedigd te kijken. Wat een puinhoop! Waar te beginnen? Ik begon de kleinste vertakkingen weg te knippen en al gauw keek ik tevreden naar de berg snoeisel op het zand. Aan de boom was echter niet te merken dat ik al een kwartier bezig was geweest! De moed zonk me in de schoenen. Toen begon het gesprek.

‘Je doet het fout.’
Ik: ‘Dit is míjn manier.’
‘Heb je niet door dat jouw aandacht naar de bijzaken gaat? Als je nu eens de hoofdzaak aanpakt?’
Ik: ‘Het is een wirwar van takken. Hoe moet ik weten welke de hoofdtak is?’
‘Stilstaan en kijken. Even niets doen.’
Ik: ‘Daar heb ik geen tijd voor, weet je hoeveel ik nog moet doen?’
‘Ik ken je toch al zo lang.’
Ik: ‘Nou dan. Klets niet en laat me mijn ding doen.’
‘Focus op de hoofdzaken en de bijzaken gaan vanzelf mee.’

Ik verplaatste mijn aandacht van de takjes naar de grote, stevige takken. Rustig zocht ik met mijn ogen naar de plek waar de tak aan de stam vastzat. Met de tanden op elkaar geklemd, reikte ik zover mogelijk in de doornige massa en met alle kracht sneed ik een tak door. Ik trok een grote uitloper van wel twee meter lang van de boom, vol kleine takjes. Op het zand lag in één keer een heleboel groen. De boom zag er een stuk luchtiger uit.

‘Zie je wel.’
‘Hehe,’ zei ik, ‘ik wist het wel.’
‘Ja,’ zei de stem. ‘Je was het gewoon even vergeten.’

woensdag 13 juli 2011

WWJD*

Drie mensen hangen naast elkaar aan het kruis, volgens de bijbel twee zondaars en mijn Heer Jezus Christus. Jezus zweeg totdat Hij werd aangesproken. Toen vergaf Hij. Hij wist dat het niet lang meer zou duren en had de mannen die daar met Hem hingen, ogenblikkelijk kunnen bekeren. Hel en verdoemenis preken zodat ze vooral gered zouden zijn. Maar Hij wachtte tot het de tijd was, Jezus wachtte rustig. Wij allen zijn zondaars.

Wat zien we nu? Christenen laten zich meesleuren in de hosselmentaliteit. Ze hosselen om God zijn mening over te brengen, geven anderen geen ruimte zich te bezinnen op hun situatie, slaan andersdenkenden neer met woorden die redding zouden moeten brengen.
Ben ik vóór homofilie? Nee, mijn geloof leert me anders. Ben ik tegen homo’s? Nee, mijn geloof leert me dat ik moet liefhebben, niet veroordelen.

Misschien is voor jou de bijbel er duidelijk over, dit is wat ik denk. Ik als mens die niet alle antwoorden heeft, als mens die iets op een bepaalde manier zou willen maar weet dat ze moet dealen met de realiteit. Diezelfde realiteit die maakt dat heteroparen overspel plegen. Die maakt dat priesters het celibaat naast zich neerleggen en kleine jongens verkrachten. Die maakt dat echtgenoten elkaar de hersens inslaan. Die realiteit die maakt dat zieleherders zich meer druk maken om hun bankrekening dan om hun eigen ziel. Die realititeit.

Ik lees een interview met DNA-lid Asabina en mijn mond valt open! Ik citeer uit het artikel in Starnieuws: “In bijvoorbeeld westerse landen als Nederland is vrouwenbesnijdenis een gruwel en is het strafbaar. Het wordt gezien als genitale verminking. Zonder het goed te praten zeg ik dat het westen er aan voorbij gaat dat zij zich uitspreken over een traditie van mensen die jaren in stand is gebleven.”

Wie denkt deze onbesneden Filistijn wel dat hij is? En nu moeten we dus onze mond houden over vrouwenbesnijdenis? Want het is traditie? Hoe moet ik in hemelsnaam hierover zwijgen?
Het was traditie van slavenmeesters de Spaanse bok uit te delen, mensen te roven en als beesten in schepen te vervoeren. Bovenop jonge meisjes te kruipen en hun blank zaad in onschuldige zwarte baarmoeders uit te storten. Meneer Asabina!? Zal je kunnen, vergeet je zo snel? Kannibalisme was traditie, zullen we het weer invoeren? Of hebben we al enkele onthoofden in het hoge college van staat, meneer Asabina?

Mijn respect voor minister Amafo, als christen zegt ze wat haar overtuiging is, maar ook dat er met respect met iedereen - van welke geaardheid dan ook - dient te worden omgegaan. We zijn geen christelijke staat, er was een tijd dat ik het graag wilde, maar als ik de agressie en het onbegrip naar elkaar en naar anderen toe zie, weet ik niet of ik in zo een land zou willen wonen.

Nu zijn het de gays, morgen de mensen met groene ogen, volgende week alle buitenechtelijke kinderen...

Tijdens schrijfoefeningen gebruiken we vaak de hypothese: Als..., dan....
Klein voorbeeldje: Als meneer Asabina een moslim was en hij had voorgesteld om met ingang van gisteren varkensvlees te verbieden en wetten te maken tegen mensen die graag een karbonaadje eten, dan hadden we hem laten opnemen in het PCS. Met loeiende sirene.

* What Would Jesus Do?

n.a.v. http://www.starnieuws.com/index.php/welcome/index/nieuwsitem/6382

dinsdag 12 juli 2011

letterlijk hersenspinsel

mijn neef is een nicht
en mijn nicht is een pot
allebei onder vuur
want die tori is hot

diep in de kast
zijn ze niemand tot last
maar nicht wil ook even
op stap met zijn neven
en die pot wil ook eens
naar de schuur.

goede raad is duur
wat is nep en wat is puur.
is het goed wat je doet
is het nodig dat je boet
voor vrolijk, vrolijk
vrolijk zijn.
(N.av. de discussie over homorechten in De Nationale Assemblee op
12 juli 2011)

maandag 6 juni 2011

Water in mijn moestuin

In het nieuws vandaag, maandag 6 juni: 'De prijs van groenten dreigt door de regen te verdrievoudigen.'
Na lang hoef ik me daar geen zorgen over te maken. Ik plant weer zelf! Niet zo veel als ik vroeger deed, maar meer dan genoeg voor eigen gebruik.
Toch heeft het zin even stil te staan bij zulke berichten. Wanneer je zelf plant, kan je je goed inleven in de strijd van de landbouwers, een struggle die niet ophoudt, maar die elk seizoen weer terugkeert.

Ook ik ondervind schade door de regen, maar omdat ik vooral de kwetsbare groenten in bakken plant, kan ik ze verplaatsen als er op een bepaalde plek teveel water is. Helaas staan mijn sopropoplanten in de klei en ik zie de bladeren langzaam geel worden. Mijn okers hebben al veel te lang natte voeten en elke dag hoop ik dat het goed mag gaan. Ze brengen wat minder op, gelukkig is het nog steeds genoeg voor eigen gebruik.

Maar ik heb geen gebrek aan groenten en hoef dus ook niet driemaal de prijs te betalen. Conclusie: het is zinnig om een moestuintje aan te leggen. Ik vermors ook minder. Correctie: ik vermors helemaal geen groenten meer! Het wilde weleens voorkomen dat ik groenten oud liet worden in de groentenla. Het was maar geld dat ik weggooide. Maar wanneer je zelf de planten heb opgekweekt, gooi je geen geld weg, nee, je dumpt je zweet, je rugpijn, je vieze nagels, je verwachting, je pride & joy in de vuilniston. Je gooit je 'kindjes' weg! En dat kan niet! Een echte groentenkannibaal eet elk kindje op en vermorst niets! Zelf niet als ze een keertje aanbranden. Maar gelukkig is die groentenla meestal leeg. Want alles is vers. Met de regendruppels er nog op.

woensdag 1 juni 2011

Insalata EGR grazie a EHEC

Voor hen die geen Italiaans kennen: 
Eet Geen Rauwkost dankzij Enterohemorrhagic Escherichia coli

kom kom kommer en kwel
esche-ri-chi-a coli
met dressing of olie
met peper en zout
van groente werd je oud
van groente werd je groot groot groot
van groente ga je dood dood dood

yo

je moet het nu dus koken
gewoon een vuurtje stoken
tomatenpap, saladesoep
komkommer bolognese

knisper knasper
sla maar raak
sla me om de oren
‘t is hard om te horen
valt me rauw op mijn dak
want salade was gemak

yo

knisper knasper kraw kraw kraw
van groente krijg je au
van groente krijg je au
kom kom kommer en kwel
niet meer in tel
niet meer in tel
kommer en kwel
kommer en kwel

yo

zaterdag 23 april 2011

Stille Zaterdag


















Stille Zaterdag (ja, met hoofdletter Z!). Jaren zestig, mijn kindertijd. Een beproeving voor een rooms-katholiek schoolmeisje. Geen muziek, niet hard praten, niet buiten spelen. Het enige dat je doet, is lezen en kwijlen voor het snoepblikje waarin je veertig vastendagen lang al je lekkers had moeten doen. Pas met Pasen mag het blikje open. 

Maar... eerst naar de kerk in je mooie nieuwe pon. De kerkdienst lijkt nooit te eindigen! En dan... eindelijk thuis! Snoep! Mooi mis! Eerst met z’n allen ontbijten. Op zondag is dat altijd (ALTIJD!) gebakken ei (spiegelei, roerei, ei met ketchup, ei met kaas, ei met worst, enfin, ei!)  met mes en vork op sneetjes witbrood. Een witte porseleinen theepot met roze bloemen op tafel. 
‘Niet zo hard in je kopje roeren, Claudy, dat is niet netjes.’ 
Met mes en vork je brood in rechte blokjes snijden duurt altijd langer dan die doormidden gesneden boterham opeten. Maar zonder tafelmanieren kan je het leven niet aan dus het moet. 
‘Waarom neem je zulke grote happen?’
Eindelijk klaar! Holderdebolder de trap op, mooie kleren uit, huiskleren aan, holderdebolder de trap af. 
‘Heb je je kleren netjes opgehangen?’
Briep bap bap! Weer naar boven. Dender dender! Naar beneden. Vanachter het gaas van de groene vliegenkast schittert het gekleurde blikje – Royal Assorted Dutch Butter Cookies – je toe. Met een grijns van oor tot oor neem je het in ontvangst. De waarschuwing niet alles te eten, gaat aan je voorbij. Eindelijk. Veertig-dagen-vasten-snoep brengt je voor de rest van de dag in een kleverige roze-rood-oranje-gele waas met hier en daar een zwart spikkeltje. Mieren.

dinsdag 8 maart 2011

Sterke vrouwen


Claudett de Bruin – 8 maart 2010

Hij kondigt haar aan als een sterke vrouw. Zijn moeder was een sterke vrouw. Vader en moeder tegelijk. Drie baantjes had ze. Alle vijf waren ze iets geworden in de maatschappij.
‘Welke boodschap heeft u op deze speciale dag?’
‘Voor wie?’ vraagt ze. Haar ogen zoeken de camera.
‘Voor alle Surinaamse vrouwen,’ antwoordt hij en kijkt in de camera. Waarom is hij niet bij de radio gebleven?
Ze had niet naar hem gekeken toen ze de omroepcabine binnen kwam. Ze had een map op het bureau gelegd en toen de microfoon aan de kraag van haar bloes verschoven. Hij had haar uitdrukkelijk gevraagd er niet aan te komen.
Haar ogen hebben de camera gevonden en fixeert haar blik op het grote open oog. ‘Ik heb een boodschap voor de mannen.’
Met perfect gemanicuurde nagels roffelt ze op de tafel, de microfoon registreert elke tik. Als een oordeel. Hij voelt zweetdruppels langs zijn rug glijden, zijn hemd plakt.
‘Origineel,’ zegt hij, ‘zeer origineel.’
Ze blijft in de camera kijken en hij laat zijn blik over haar hand gaan. Franse manicure. Zijn ex-vrouw liet elke drie weken haar nagels doen. Het had hem een vermogen gekost. Haar een vermogen aan tijd. Hoe moet hij de nagels rijmen met deze drukbezette, zelfstandige vrouw?
‘Wat is uw boodschap, mevrouw, op deze dag van 8 maart?’ Hij wil zo graag de juiste toon aanslaan, dat ze het ontzag in zijn stem kan horen.
‘Don’t take your woman for granted.’
Hij besluit om zijn vragenlijst volgens plan af te werken. Vragen die je aan flinke vrouwen stelt, hoe ze als werkende vrouw en moeder hun onderneming tot bloei brengen. Vragen die in zijn keel blijven steken wanneer hij de warme aanraking van haar hand op de zijne voelt.
‘A man needs a woman.’
James Carr, hij weet het nog uit zijn radiotijd. Op één tegel dansen terwijl het meisje in zijn omhelzing zachtjes het lied meezingt. Haar warme adem in zachte stootjes tegen zijn hals. Maar één gedachte in zijn hoofd. Op zijn monitor ziet hij de camera inzoomen op haar hand die nog steeds op de zijne ligt.
‘And a woman needs a man.’ Ze kijkt hem nu recht in de ogen aan, een camera die inzoomt op zijn gedachten. God, was hij maar bij de radio gebleven.
Ze trekt haar hand terug, een brandplek achterlatend. ‘Mag ik je een vraag stellen?’ Ze tutoyeert hem.
‘Natuurlijk mevrouw, op deze dag mag u alles.’ Elk jaar nodigt hij een sterke vrouw uit zodat ze de gemeenschap over haar worstelingen kan vertellen. Over haar overwinningen. Hoe ze ondanks alles haar kinderen een goede opleiding geeft. Maar vooral hoe ze sterk blijft.
‘Mooi zo,’ zegt ze. ‘Do you want to know a secret?’
The Beatles, 1963, zevenenveertig jaar geleden. Het jaar waarin zijn vader wegging. Op 8 maart, de jaardag van zijn moeder. Hij zoekt naar een diplomatiek antwoord.
‘Pardon?’
‘Jullie mannen weten alles, nietwaar? Denken jullie echt dat we deze dag nodig hebben?’
Ze kijkt nu recht in de camera. En dan strekt ze haar hand uit, klopt hem op zijn arm zoals je een huilend kind gerust stelt. ‘Al honderd jaar praten we nog steeds over dezelfde dingen. Elk jaar dezelfde vragen, elk jaar dezelfde antwoorden. Rechten, ondernemingen, werkdagen van achttien uur, voorbehoedsmiddelen. Hou toch op man. All we need is love.’
The Beatles, weet hij, 1967. 

zondag 13 juni 2010

The ‘Blauwgrond Experience’

(geschreven voor Swiet Tesie magazine april 2010)

Vrijdagavond elf uur. Kop aan kont rijden de auto’s. Ogen spieden van links naar rechts. We zien warungs met namen als Rena, Ursie en Pawiro. Al langer dan vijf minuten rij ik met een sukkelgangetje achter een auto die ook zoekt: een geschikte warung, een goede parkeerplaats. Kom je vanuit de Wilhelminastraat, dan zijn de meeste eettentjes links van de weg op slechts een paar meter afstand van elkaar. Rechts is de bekende moskee met hier en daar een halal warung. Aan beide zijden van de weg zijn auto’s geparkeerd. Ik knal bijna op mijn voorganger die plotseling afremt omdat hij een geschikte plek heeft gevonden.
‘Zullen we ook maar hier gaan?’ roept iemand in de auto.
‘Nee, een stukje verder, hier zit bijna niemand.’
Ik rij een eindje door en dan roept ze enthousiast: ‘Daar, bij die tent moeten we gaan eten. Ik zeg je, hun saoto is wrééd lekker!’ 

Naar Blauwgrond ga je in de eerste plaats om te eten. Het eten in de J. Samson Greenstraat, de Louis Goveiastraat en de Jan Besar Rebostraat is er pretentieloos lekker en niet duur. In de tweede plaats ga je er voor de ongedwongen sfeer, er zijn geen kledingvoorschriften en zelfs tafelmanieren zijn niet dringend vereist. Dat je soms in een kleine file moet zitten, neem je voor lief. Je accepteert dat er ook andere mensen zijn die honger hebben. Sommigen hebben gewoon trek en weer anderen zijn komen ‘wandelen’. 

We manoeuvreren langs een paar uitgelaten fietsers met wapperende rokjes, blond haar en rode hoofden die kennelijk net iets teveel sambal in de pittige kippensoep hebben gedaan! Maar joh, dat mag de pret niet drukken, want voor een paar luttele euro’s hebben ze hun buikjes vol gegeten... en bij ’t Vat staan de biertjes al koud.
Personenauto’s met gezinnen of met party-animals worden ingehaald door luidruchtige bromfietsers, meestal jongens van de buurt op
Yampi’s die een fatu komen nemen. Taxichauffeurs rijden rond met buitenlanders die ze trots deze kant van Switi Sranan laten zien. Fully equipped terreinwagens en zacht ronkende Mercedessen rijden zoekend langs en laten zich maar wat graag bekijken op weg naar een span-span nasi of een portie tjekèr, plakkerige kippenpoten. Waarmee duidelijk wordt dat Blauwgrond geen drempels kent. Alles en iedereen komt er. Je komt er je baas en je tuinman tegen. Je ex-vriend en je buitenvrouw. (Of je vrouw, het is maar net wie met wie is gaan ‘wandelen’ die avond!)

Een agent derde klasse brengt zijn nieuwe vriendin voor het eerst uit. Met een royaal gebaar zegt hij: ‘Schatje, bestel maar wát je wilt,’ terwijl hij met gekruiste vingers in zijn broekzak
kraak houdt dat ze een kleine eter is, want het is pas de 23e van de maand. . .
Aan de andere kant van de vitrine waarin al het lekkers is uitgestald, trommelt een bekende ‘poeierjongen’ met zijn goudberingde vingers op het vrolijk gebloemde tafelplastic. Zijn overdadig gepimpte Hummer neemt teveel parkeerruimte in. Ongegeneerd slurpen hij en zijn tafelgenote van een knalroze dawet. Op tafel staan twee kommetjes saotosoep, twee tahoe lontong, vier rund- en vier kipsaté’s, en vier bakabana’s met pindasaus. Met een ‘Hallo mae, poppie, Poniyem, kan je twee bami-met-kip voor me inpakken?’ rondt hij zijn bestelling af. De dame achter de toonbank laat het zich met een glimlach welgevallen en neemt het geld in ontvangst terwijl ze de portiebakjes keurig ingepakt aan hem overhandigt.


Blauwgrond mag met recht het Javaanse culinaire hart van Suriname genoemd worden. Naar Blauwgrond kom je niet om aan een glaasje water te nippen. In feite ben je op bezoek bij de bewoners (de warungs zijn voor hun huis gebouwd) en zoals het traditie is bij Javanen, moet je flink dooreten. Goed, je moet er een kleinigheid voor betalen, maar de prijs is in verhouding met de kwaliteit van het eten aan de lage kant.
Vanaf een houten bankje (de laatste jaren verdrongen door de Jardinstoel) heb je uitzicht op het keukentje waarin je kan zien hoe met kippenbouillon, taugé, geplozen kip en een ei de lekkerste saoto's worden bereid. Let er op dat de bouillon kokend heet is - niets is erger dan een lauwe saoto mét of zonder ei - en breng het op smaak met een lepeltje ketjapsambal of een lepeltje gemalen rode peper. Blazen is toegestaan maar let op als je een lepel soep naar je mond brengt: de taugésliertjes hebben de neiging - op je kleren - te spatten...
Tip voor een verbrande mond: dawet! Mét of zonder maizenasliertjes.


Elke eettent heeft zo zijn eigen fans, mensen die zweren bij een teloh met terie van die éne speciale warung en desnoods een kwartier in de auto blijven wachten tot er een tafeltje vrij is.
Kom in de stemming voor je gaat stappen. Of besluit een avondje uit met een ‘Blauwgrond-kiek’. Als je van die chique bedrijfsreceptie komt, waar je alleen champagne hebt gedronken en minitoastjes met zalm en olijven hebt geknabbeld, dan kan je honger hebben. Verfijnde hapjes zijn lekker maar den no e furu bere...
Op naar Blauwgrond dus, die gezellige wijk die zelfs in Nederlandse kranten zoals de Volkskrant en Trouw op de kaart is gezet als één van de culinaire wijken van Suriname. Je komt er oude vrienden tegen, want je gaat ook naar Blauwgrond om gezien te worden. Langzaam langs de eettentjes rijdend op zoek naar een geschikte plek, zie je iedereen en als je die getinte ruiten naar beneden draait, ziet iedereen jou!

 
Je kunt ook ‘op stand’ eten op Blauwgrond. Mirosso is een opvallend gebouw met een buitenterras, een speciale afhaalafdeling en twee eetzalen. Boven is de eetzaal soms zo koud dat de gasten rillend naar beneden rennen. Hier kun je – in tegenstelling tot de overige warungs – wel alcohol krijgen. Ook hier geen kledingvoorschriften, maar enige kennis van etiquette en tafelmanieren wordt er wel op prijs gesteld. Van de menukaart is af te lezen dat je iets meer betaalt dan bij de huiswarungs. Het eten is er overigens net zo goed, alleen mis je de essentie van de ‘Blauwgrond Experience’: eten op straat.

De meeste warungs zijn open van vrijdag tot zondag (een enkele is ook door de week open). Als je lekker wil eten zonder al te veel te betalen, ga richting Blauwgrond. Nyan switi, slamat makan!

zaterdag 29 mei 2010

Verkiezingsparty in Havana Lounge

Paramaribo, 26 mei 2010. De reguliere midweek-party van de Havana Lounge heeft vandaag een speciaal tintje. Jongeren gaan chillen en napraten over de verkiezingen, uitgedost in de kleur van hun partij. De winnaars hebben niets aan het toeval overgelaten: polo’s, schoenen, nagels, oogschaduw, boxer shorts en zelfs de haren zijn uitbundig in de kleur van de overwinning. Ook de cocktails worden gebruikt om een statement te maken.

Mike zit aan de bar en drinkt een Purple Rain, voorlopig kan hij geen bier meer kan zien. In zijn functie als witwasser was hij verantwoordelijk voor het schoonkrijgen van de vuile partijwas. Het was vechten tegen de bierkaai. Toch hebben ze gewonnen, schone kleren of niet.

Stacy heeft tijdens het campagnevoeren haar strakke schoenen stukgelopen. De oude mocht ze niet aan deze keer. Ze is een studievriendin van Mike en gaat naast hem zitten. Ze praten na over de verkiezingen.

STACY:
Mike, fa? Mi e fristeri yu. San, i sabi fa yu e kleur en! Purple Rain!

MIKE:
Eeey, Stacy. Thanks, man. Ja, we hebben hard gewerkt hoor. Dus tideneti is ontspannen...
Fa waka, kan je nog een beetje lachen? Heb je je oude schoenen aan?

Hij wenkt de ober.

MIKE:
Join me no, moet je ook zo een?

STACY:
Eeey, Mike, no boy, al hou ik ervan. Mi lobi a man, Purple Rain, mi lobi a cocktail disi wreed!

Ze kijkt zoekend in het rond.

STACY:
Maar je moet begrijpen dat ik vanavond niet gezien kan worden met een paars drankje in mijn hand. I sabi toch?

MIKE:
Saaaan, yu e hori en gi mi strak! Maar hoor no, wat ga je drinken? Waarmee gaan we toasten?

STACY:
Ja, het is jullie gelukt. You beat me to it. Dit is Baas boven baas. Wat zal ik drinken vanavond? Even denken...

MIKE:
Dan bepaal ík voor je, toch? Ober, een Pisang Ambon voor deze leuke dame... dat lust je toch wel?

STACY:
Je kan zien van welke partij je bent... gewoon so yu e dicteer libisma, boy!

MIKE:
Stees... zie je hoe dit kind is... Hoe bedoel je, meisje, ik doe je een plezier. Alle vrouwen houden toch van Pisang Ambon?

STACY:
Laat me hoor, omdat dat ding groen is, bestel je ‘t voor me, leki mi no sabi!

MIKE:
Zie je Stacy, vrouwen... ze weten nooit wat ze willen. Je wil geen paars met me drinken, wel, okay dan, dan drink je groen!

STACY:
Niet dat ik geen Purple Rain met je wil drinken... Maar have a heart toch, tide mi no man! Niet op een dag als vandaag. Luister, geef me dat groene ding van je hoor...

MIKE:
Ho ho, meisje! Voorzichtig met wat je zegt, hoor! Dat ding van me is niet groen... meisje, ik verzoek je...

STACY:
Haha, meneer wil leuk doen...eey, what about m'n drankje...

De ober zet een groene cocktail voor haar neer. Op de rand is een wit parasolletje. Ze haalt hem eraf en zet het hem in het glas van Mike.

STACY:
Asjeblieft, dit hoef ik niet. Proost, mi man, op Suriname!

MIKE:
Dus wat? Je wil niet onder mijn paraplu. A sma disi... yu tya opschuif, yère!

STACY:
Haha, je hebt al voor me bepaald toch... dan wil je dat ik ook onder die paraplu van je moet komen zitten... Jongen, laat me hoor!

MIKE:
A regel, proost.
Eey, kijk niet, nee, draai je niet direct om, zit rustig... Ay, nu kan je je langzaam omdraaien. Te laat, hij heeft al een foto gemaakt... wacht even... Ooo, dus je wist ‘t. Yongu Stacy, nu zie ik het, het is jullie eigen fotograaf! Doorgestoken kaart.

STACY:
Dan wát? Néks no fout, toch?

MIKE:
Stacy, dit kan niet hoor! We chillen toch, dan maak je afspraak met de paparazzi!

STACY:
Luister, broeder, jullie hebben gewonnen toch, is mooi. Maar weet je hoeveel geld mijn sponsors in mij hebben gestopt? Denk je niet dat ze iets terug willen... den man no law!

MIKE:
Dus wat? Ik had geen sponsors?

STACY:
Ja, maar jij hebt gewonnen, brada. Jullie hebben Lotto, Copulot, SNAK, Straatcode... de boel hebben jullie binnengehaald. Ze gaan het binnenkort duizendvoudig terugkrijgen. Vooral die partij van je...no mí no e moksi...

MIKE:
Dát is jullie probleem. Unu no e moksi... die partij van je is arrogant, niet normaal, hoor! Yere no, een enkeling is een drenkeling! We moeten samenwerken.

STACY:
Samenwerken, nee me schat, ik hou van puur, écht, onversneden, i sabi toch...

MIKE:
Ay, mi sabi. Zie je niet wat je drinkt? Puur, Pisang Ambon. Groen no wan moksi. Jullie zijn zo full of yourself, zo zwaar, net als die Pisang Ambon die gelijk naar de bodem zinkt.
En precies daar blijft het liggen. Je moet het heel hard roeren, i musu seki en, dan pas ay moksi.

STACY:
Dus wat, je bedreigt me?

MIKE:
Nee, is gewoon scheikunde: E is MCkwadraat omdat we een eenheid vormen.

STACY:
Mooi, man, typisch. En daarom drink je allerlei moksi dingen door elkaar...
Ik kan je één ding zeggen, de volgende dag...die kater die je hebt wanneer je opstaat, is niet mals! A sani na wan molotovcocktail!

MIKE:
Is goed, hoor, drink je groen. Die partij van je is toch de pisang!

STACY:
We zijn allemaal de pisang. Wacht wanneer die mannen je gaan vinden...

MIKE:
Welke mannen gaan me vinden?

STACY:
Die mannen die hebben gegeven... ze gaan komen nemen.

MIKE:
Kon unu libi a tori. Laten we onze functies vergeten vanavond. Ik hoor Lucky Dube, mijn favoriet. Kom dansen.

STACY:
Okay. Geef me nog een drankje...meki moro doro...

MIKE:
Ik wil met je dansen, alvast toenadering zoeken tot de tegenpartij... 

i sabi toch, combinatie...!

STACY:
Diff’rent colours...

MIKE:
...one people...
Maar kom een beetje dichterbij, no. San psa, ik mag je niet stevig vasthouden? Plotseling ben je bang van strak...

STACY:
 Als je me zo stevig vasthoudt, krijg ik blauwe plekken, en je weet welke kleur ze na een paar dagen krijgen... No, thank you!

vrijdag 30 april 2010

Is er nog ethiek in de media?

Foto’s van huilende familieleden. Een arm om een schouder, gezichten vertrokken van verdriet. Witte en zwarte kleren, een trieste sfeer. Een aantal foto’s in de krant bij het artikel over de begrafenis van de directeur van de Luchtvaartdienst, John Veira.
 
Iedereen was geschokt door het nieuws van de brute moord op deze vredelievende man. Er is veel om te doen geweest. Het onderzoek ging van nationaal naar internationaal, Guyana startte een onderzoek naar een verdwenen helikopter, de eigenaar van Hi-Jet Suriname voelt zich in zijn goede naam en eer aangetast, enfin, soso dyugu dyugu.
 
Op zijn zachtst gezegd: vervelend voor de familie. Nog vervelender lijkt het mij wanneer je op je zwakste momenten wordt gefotografeerd en met al je leed pontificaal in de krant en op het internet wordt afgebeeld. De vraag die bij mij rijst is: wat voor meerwaarde hebben deze foto’s voor het artikel?

Discretie en begrip voor de gevoelens van mensen waren vroeger bijna vanzelfsprekend. Tegenwoordig gaan journalistiek en ethiek allang niet meer hand in hand. Camera’s verdringen zich rond het leed van mensen om alle emoties en ellende zo uitgebreid mogelijk weer te geven. Kijkcijfers! Zo kunnen we regelmatig rond vijf uur ’s middags zien hoe de camera inzoomt op half vergane lijken die uit het water worden gevist en krijgen we soms een uitgerukt oog of een afgerukt been in close up. Vaak begeleid door onflatteuze beelden van gillende en ontroostbare mensen die voor het oog van de hele Surinaamse samenleving met een omgekomen familielid geconfronteerd worden.
 
Ik geloof dat er andere manieren zijn om het nieuws te verslaan zonder de waarheid geweld aan te doen. Zónder de integriteit van mensen te schenden en mét respect voor hun privacy. Overzichtsfoto’s, een foto van de overledene in de kist of van iemand die een toespraak houdt, kunnen ook de tekst ondersteunen. Een fotograaf hoeft niet altijd het uiterste uit zijn telelens te halen!

De drang naar reality tv is ook onze kerken binnengeslopen. Er worden regelmatig kerkdiensten vertoond waarin het evangelie wordt gebracht middels preken en lofprijs. Prima, daar is niets mis mee. Maar er zijn soms momenten in bepaalde diensten waarbij mensen naar voren gaan voor gebed, voor genezing en daar komen vaak heftige emoties aan te pas. Dát zou het moment moeten zijn waarop de cameraman zijn camera uitschakelt of waar de uitzending ophoudt. Maar teveel kerken leven in de veronderstelling dat het een opdracht van God is om zonder terughoudendheid alles te laten zien. Ze vergissen zich. Het heeft niets te maken met schaamte voor je geloof, maar alles met het feit dat ieder mens het recht heeft zijn geloof in alle privacy te belijden. Ik ben zelf lid van een evangelische kerk en ik moet er niet aan denken dat ik tijdens mijn geloofsbeleving beeldvullend op de televisie kom. Stel je voor! 
Uiteraard is er vraag naar speciale diensten op hoogtijdagen, er zijn nu eenmaal mensen die niet naar de kerk kunnen gaan en toch de sfeer willen proeven. Maar om met de woorden van Prediker dit betoog kracht bij te zetten: ‘Er is een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken.’
Aan de media zeg ik: ‘Er is een tijd om de camera uit te doen.'
 
Want waar eindigt het nieuws en waar begint de sensatie?

zaterdag 17 april 2010

Limerick in het Sranan

Wan yayo misi f’ Nyun Foto
ging dansen in een bigi koto.
A ben go nanga en pèl
d’ a ben weri heri stel.
Den ben go nanga limousien oto.

Èn pa Hendrik fu baka Konasi
kon niet meer met die misi haar fasi.
A wenke ben griti en
en baka ben priti en
A ben habi fu suku osopasi.

Tra dey f’en a misi nanga en koto
fen’ wan dansi tapu SMS-boto
A sma kap’ en tros
ze gooide alle remmen los.
Te fu k’ba a kapséis nanga a boto.

Pa Hendrik fu Konasi ben sari
bika en lobi fu omeni yari
ben gwe go lasi
tangi f’ yayo pasi
Èn tye, !dati ben hebi fu tyari.

vrijdag 16 april 2010

Vrouwen tonen klasse bij schrijversavond

door Ruth Nortan

03/04/2010
Paramaribo - ‘Om te leven, leeft ze niet’, is de laatste regel uit het gedicht ‘Leven’ van Alphons Levens over de vrouw tijdens de bijzondere Schrijversgroep ‘77-avond in Tori Oso. Met dit gedicht geschreven in 1992, kenschetste Levens na bijkans achttien jaren de nog steeds actuele leef- en werksituatie van de Surinaamse vrouw. Met vaste hand dirigeerde Anne-Marie Sanches conferencier, het programma en aan het einde bemoedigde zij de vrouwen met de woorden: woman, uma, vrouw, mujer i’m proud of you.

Ismene Krishnadath vervolgde de avond met een stuk uit ‘Eens op een einde’, waarmee zij de panelleden boeide en tegelijkertijd verraste. Dit vanwege het feit dat Krishnadath van origine een jeugdliteratuurschrijfster is. Volgens Eddie van der Hilst en Roue Hupsel was het verhaal goed opgebouwd terwijl Frits Wols haar schrijfstijl gedurfd noemde.

In tegenstelling tot dat van Krishnadath, was het verhaal van Arlette Codfried volgens Wols geschikt als concept voor een volkstoneel. Codfried herinnerde in haar laatste woord panelleden en publiek eraan dat zij schreef op basis van alledaagse gebeurtenissen. Het verhaal over Marnie was geschreven naar aanleiding van het programma Whazz up, waarbij de schrijfster zich afvroeg wat als je naar een dergelijk programma kijkt en je ziet je man, die volgens jou op dienstreis is in het buitenland. Codfried kreeg bijval van het publiek die het oneens was met Wols en juist van mening was dat ook dit verhaal een waardige plek verdiende.

Michiel van Kempen bracht diepzinnige gedichten en Claudette de Bruin werkte danig op de lachspieren van het publiek door haar voordracht. Humoristisch en krachtig met bijbehorende lichaamsbewegingen die het gepresenteerde accentueerden. “Ik hou van taal en speel ermee”. Alida Neslo de hekkensluiter , deelde met het publiek ervaringen uit haar dagboeken waarin zij vanaf haar twaalfde schrijft en kreeg daarvoor een welverdiende waardering. Volgens Wols kon Neslo de magie in haar stem wanneer zij bezig was ,goed gebruiken bij radioprogramma’s. Neslo die een bekend theatermaakster is, bevestigde haar liefde voor radiowerk en besloot met , “misschien komt dat nog”. Bij de ontroerende voordracht van Jeanett Vonsee over haar overleden moeder neigde menigeen eenmaal diep te slikken.

Hilde Neus gaf een demonstratie van een vrouw die verschillende petten op had. In haar korte intro waarin zij over haar liefde voor onderzoek vertelde, werd zij door Wols gestimuleerd, meer dan ooit de Surinaamse geschiedenis te onderzoeken en vast te leggen. Alle presentatoren waren stuk voor stuk uniek in hun presentatie. De avond had een vlot verloop en was zeker de moeite meer dan waard.-.



woensdag 7 april 2010

Collectie van Trefossa naar Nationaal Archief Suriname



door Claudett de Bruin

 
Wanneer op 12 april a.s. het nieuwe gebouw van het Nationaal Archief Suriname (NAS) officieel in gebruik wordt genomen, wordt ook de nalatenschap van Trefossa – pseudoniem van Henri Frans de Ziel (1916-1975) – aan Suriname teruggegeven. Het literaire werk van deze Surinaamse dichter is van groot belang geweest voor de ontwikkeling en de opwaardering van het Sranan. De overdracht, die voor Suriname van grote cultuurhistorische waarde is, wordt gedaan door Cynthia Abrahams, voorzitter van de Werkgroep Nalatenschap Trefossa Nederland en Cherida de Ziel.

Abrahams is Engelse taal- en letterkundige en bibliothecaris en werkt al enige tijd aan een promotieonderzoek over het leven en werk van Dobru (Robin Raveles).

“Op de C.R. Froweinschool kreeg ik Nederlands van Trefossa. Voordat hij docent werd, was hij van 1956 - 1958 directeur-bibliothecaris van het Cultureel Centrum Suriname. Maar zijn roeping lag in het onderwijs. Hij was dan ook docent in hart en nieren.”

Trefossa heeft een beslissende invloed op de studiekeuze van Abrahams. Zijn liefde voor het bibliotheekwezen is aanstekelijk en uiteindelijk studeert ze aan hetzelfde instituut waar hij zijn opleiding genoot, de Stadsbibliotheek in Haarlem en de Koninklijke bibliotheek.

Zes meter boeken en 2000 vellen papier
In juni 2004 komt Abrahams tijdens haar promotieonderzoek in contact met mr. Kenneth Jap A Joe die net als Dobru aan de Surinaamse Rechtsschool heeft gestudeerd en met hem in het bestuur zat van de studentenvereniging Labor Omnia Vincit. Dan blijkt dat de nalatenschap van Trefossa door zijn weduwe, Hulda de Ziel-Walser, aan mr. Jap A Joe in bewaring is gegeven. Is het de geest van Dobru die hier een handje helpt?

Abrahams krijgt de gelegenheid de collectie te bestuderen en is van mening dat de erfenis terug moet naar Suriname waar de collectie thuishoort. Dit blijkt ook in overeenstemming te zijn met de wens van Henry en Hulda de Ziel.
De collectie bestaat uit twee delen: een grote verzameling boeken – waaronder Surinaamse publicaties – met een lengte van ongeveer zes strekkende meter en een aantal schriften en documenten van ongeveer 2000 vellen papier. Hieronder bevinden zich de dagboeken van Trefossa en een aantal schriften met een gevarieerde inhoud. Ook zijn scriptie L.O. Nederlands, diploma’s en overige door hem geschreven artikelen. In zijn handschrift zijn ook het Surinaamse volkslied en de dagboeken van Johannes King waar hij in overleg met de Nederlandse taalkundige prof. Jan Voorhoeve aan werkte. In de collectie zijn er voorts gedichten die hem door anderen werden toegestuurd. Ook Dobru stuurde hem zijn werk en in een van de schrijfblocs is nog een brief in het klad te lezen die Trefossa aan Dobru schreef. Het mag volgens Abrahams bijzonder genoemd worden dat er zoveel van zijn nalatenschap intact is gebleven. Vast staat wel dat de collectie niet compleet is.

Werkgroep Nalatenschap Trefossa Nederland
In januari 2007 benadert Willi Walser, de broer van Hulda, op advies van familievriend Hans Breeveld, Cynthia Abrahams om zitting te nemen in de Werkgroep Nalatenschap Trefossa Nederland. De werkgroep bestaat uit drie leden: Gety de Boer en Cherida de Ziel (een nicht van Trefossa) en Cynthia Abrahams als voorzitter. Het doel is om de nalatenschap van Trefossa ter beschikking te stellen aan de wetenschap en er een waardige plaats voor te vinden.

Terwijl ze in Suriname is voor haar onderzoek naar Dobru, kijkt Abrahams tegelijkertijd uit naar een laagdrempelige plaats om de collectie onder te brengen, zodat de Surinaamse gemeenschap conform de wens van Trefossa’s weduwe, toegang kan hebben tot de culturele erfenis. Het oude archief is niet geschikt, maar wanneer bekend wordt dat er een nieuw gebouw komt, benadert ze - na overleg met de werkgroep - het managementteam van het NAS. Het NAS reageert positief en schrijft een projectvoorstel waarin wordt vastgelegd dat de volledige collectie toegankelijk moet zijn voor wetenschappelijke bestudering. Via een stappenplan zal de collectie vanuit Nederland naar Suriname worden overgebracht.

Abrahams komt daarna nog enkele keren naar Suriname en heeft intensief contact met Rita Tjien Fooh van het NAS. Wanneer ze niet in Suriname is, verloopt de communicatie via e-mail.

De boekencollectie is inmiddels voor enige tijd in bewaring gegeven aan Cor de Bruyn, een goede vriend van de familie Walser, en verhuist in 2007 naar het huis van een van de leden van de werkgroep.
Door bemiddeling van de Surinaamse ambassade in Nederland kan in 2009 het eerste deel van de omvangrijke collectie naar Suriname worden verscheept.
De dagboeken, schriften en overige documenten zijn recentelijk met medewerking van de SLM in Suriname aangekomen.
Het is de bedoeling dat de gehele collectie zo snel mogelijk wordt gedigitaliseerd.

Volkslied
Trefossa is de schrijver van het Surinaamse volkslied. In 1959 krijgt hij van de Surinaamse regering de opdracht een Sranan couplet te maken voor het volkslied waarbij als enige voorwaarde wordt gesteld, dat het de eenheid van het Surinaamse volk en de verbondenheid met het grondgebied moet benadrukken.

In de Memorie van Toelichting die hoort bij de betreffende ontwerp-landsverordening staat o.m.: “Daarnaast is een Surinaamse tekst, van de dichter Trefossa, in de bijlage van het ontwerp opgenomen. Dit is niet alleen geschied met het oog op diegenen van het volk, die de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar vooral ook omdat deze tekst naar het oordeel van de Regering de nationale gevoelens welke het Surinaamse volk bezielen, voortreffelijk vertolkt.”
Maar Trefossa gaat een stapje verder en sleutelt ook aan het Nederlandse couplet dat in 1893 door ds. Hoekstra is gemaakt. Deze luidt als volgt:

God zij met ons Suriname,
Hij verheff’ ons heerlijk land.
Doch dat elk zich dan ook schame
Die zijn ere maakt te schand!
Recht en waarheid te betrachten,
Zeed’lijk rein en vroom en vrij,
Al wat slecht is te verachten,
Dat geeft aan ons land waardij.

Abrahams herinnert zich hoe Trefossa - meneer de Ziel - in de klas uitleg geeft over de reden van zijn aanpassing. “Hij vond de invalshoek van het Nederlandse gedeelte negatief en wilde er een positieve connotatie aan geven.”

Trefossa maakt ervan:

God zij met ons Suriname,
Hij verheff’ ons heerlijk Land.
Hoe wij hier ook samen kwamen
Aan zijn grond zijn wij verpand.
Strijdend houden we in gedachten:
Recht en waarheid maken vrij:
Al wat goed is te betrachten,
Dat geeft aan ons Land waardij.

De wijziging vindt weerklank in de Raad van Ministers, alleen wordt ‘strijdend’ veranderd in ‘werkend.’

Erkenning
Trefossa bedenkt het Sranan woord voor zelfstandigheid – ‘srefidensi’ – maar het is hem niet gegund om op 25 november 1975 de overgang mee te maken: enkele maanden voor de onafhankelijheid overlijdt hij.

 

In 1977 wordt door het Bureau Volkslectuur onder leiding van prof. Jan Voorhoeve ‘Ala Poewema foe Trefossa’ uitgegeven waarin verzamelde gedichten, interpretaties, een biografische vertelling en recensies.

In 2004 overlijdt Hulda de Ziel-Walser en geheel volgens hun beider wens om samen een laatste rustplaats te vinden in Suriname, worden hun urnen door Hans Breeveld vanuit Nederland naar Suriname gebracht. Op 21 november 2005 onthult president Ronald Venetiaan een grafmonument waarin de urnen van Trefossa en zijn Hulda worden bijgezet en hiermee is het lichaam van de dichter aan zijn geboortegrond teruggegeven.

Volgens Abrahams wordt met de overdracht van de nalatenschap aan het Nationaal Archief Suriname ook het ‘gedeelte in diaspora’ van Trefossa nationaal bezit. Trefossa is weer thuis.

Geplaatst in De Ware Tijd van 7 april 2010

vrijdag 2 april 2010

Vrouwen en literatuur in Tori Oso: over mijn presentatie en nog meer



Het kind niet met het badwater weggooien door Ruth San A Jong 

Gisteravond zat ik in Tori Oso te luisteren naar een van mijn tweedejaarsstudenten van de Schrijversvakschool Paramaribo, Claudett de Bruin, die een literaire voordracht gaf. Ze las gedichten voor en gaf vooraf uitleg welke vorm die hadden. Ik vond 't goed te horen dat ze namen als rondeel en limerick uitlegde. Je moet je publiek ook literair opvoeden. Uiteraard was ik trots want ze had van die verrassende en vooral spottende vondsten en een publiek dat hing aan haar lippen.
Als 'jonge hond' in het literaire leven in Suriname heb ik in publieke fora uitspraken gedaan die tegen de schenen schopten van de gevestigde auteurs. Ik had gezegd dat wat NU wordt geproduceerd niet van literaire kwaliteit was en zich middenmaats ontwikkelde en dat ook de oudere generatie daar bij hoorde (!!!). De stagiaire die toentertijd bij de Ware Tijd werkte, had het woord 'nu' eruit gelaten. Of het opzet was geweest van de eindredactie laten we in het midden. Ik heb het geweten! Kwade telefoontjes en boze gezichten wie Ruth San A Jong nu wel was om dergelijke uitspraken te doen. Die was toch geen schrijver? Hoeveel boeken had ze op haar naam? Hoe kon ze een oordeel vellen over de literaire kwaliteit? Ik moet dus iemand per se waarderen omdat hij een 300-tal pagina’s op papier heeft gezet.
Alhoewel de vraag blijft of ik me moest verontschuldigen, kies ik mijn woorden sindsdien zorgvuldig en wilde het tegendeel bewijzen.
Iedereen was het toch stiekem met me eens? (over die uitspraak met 'nu' erbij?) Iedereen met een beetje zelfkritiek was het toch met me eens dat er drastisch iets moest gebeuren aan de boeken die uit de printer kwamen met gelamineerde 250-grams vellen als kaft, de door neerlandici op taal gecorrigeerde teksten en door familie en vrienden gelezen manuscripten, de door de Riso-machine gehaalde kopieën zonder registratie bij het ISBN-kantoor? Eerlijk wezen, niet? Maar omdat ik het had gezegd en geen bestaansrecht had als auteur had ik mijn mond moeten houden.
Je gooit je kind toch niet met het badwater weg, bedacht ik achteraf. Ga dan iets doen om die kwaliteit omhoog te brengen. In mijn vijf jaar geworstel lukte het me eindelijk om schrijven tot vak te maken in Suriname en voor auteurs. We weten allen intussen dat talent overgewaardeerd is en dat als je regelmatig schrijft, herschrijft, schrapt, van kritisch commentaar laat voorzien, veel leest, je over technieken leert enzovoort, dat dat eigenlijk het schrijven is.
Dus toen ik gisteravond van de jury, die mij sterk deed denken aan de American Idols, de lofuitingen voor Claudetts werk gaf, ging een vleug van trots over me heen.
Meer nog omdat Frits Wols, die mij toentertijd persoonlijk die 'bok' had gegeven, complimenten maakte aan de Schrijversvakschool en ons aanmoedigde om zo door te gaan. Hij was blij te horen dat klassieke dichtvormen behandeld worden enz. Ik begon spontaan te klappen in mijn handen toen mijn student naar me keek vanachter de staander en gebaarde naar me. Want dat is wat je wil hebben, kwalitatief goede teksten voor je publiek, bij voordracht of in boeken. Claudett is overigens een van de meest ambitieuze studenten, neemt het vak serieus, is altijd aanwezig, eigenzinnig, maar staat vooral open voor goede kritiek. En geloof me de Schrijversvakschool maakt je bikkel tegen kritiek van lezers. Die zijn meestal genadeloos.


Zo hadden we de grootste literaire criticus als gastdocent, Michiel van Kempen, de boeman van vele auteurs. Critici zijn nooit geliefd, daar moeten we aan wennen en ik dacht toen ik hem uitnodigde om nu eens van hem te horen hoe die keek naar de ontwikkeling in die Surinaamse literaire keuken. Tenslotte is de man gepromoveerd op de Geschiedenis van de Surinaamse literatuur en willen wij als instituut niet het wiel weer gaan uitvinden en de man uitnodigen om ons te komen vertellen hoe dat in elkaar zit. Ik moet overigens nog een schriftelijke evaluatie van hem ontvangen, maar weet zeker dat we, hoewel hij Surinamistiek is komen doceren en niet schrijftraining, een goede beurt hebben gemaakt. Ik ben alleszins tevreden over de inzet en vooral de manier waarop hij de literaire geschiedenis in perspectief voor de studenten heeft geplaatst met gebruik van illustraties, cijfers en dergelijke. We zijn er nog niet, want de opleiding is 4 jaar en pas na die periode zullen we kunnen oordelen of een opleiding in Creatief en Literair schrijven daadwerkelijk goede en blijvende auteurs oplevert.
We gooien het kind niet weg met het badwater. In essentie gaat 't er erom: kritiek geven mag, maar doe er iets aan om de situatie te verbeteren, de kwaliteit omhoog te brengen en hoog te houden. Tenslotte plukken we allen inspiratie uit Suriname.

http://caraibischeletteren.blogspot.com/2010/04/het-kind-niet-met-het-badwater.html
Labels: Bruin Claudett de, Kempen Michiel van, San A Jong Ruth, Schrijversvakschool, Wols Frits